Hoofdstuk 6 — Het Altaarfragment
De graafmachine stond stil in de modder, zijn rupsbanden besmeurd met klei. Rondom de bouwput stonden hesjesdragers te kijken naar iets dat in de grond was blootgelegd. Een steen. Een grote, platte steen met vreemde inkervingen.
Anne arriveerde net toen de archeoloog van de gemeente zijn eerste inspectie deed. Ze had een bericht gekregen van een oude studiegenoot die bij de afdeling erfgoed werkte: "Anne, er is iets gevonden bij de nieuwbouwwijk. Je moet dit zien. Het lijkt oud. Heel oud."
Ze parkeerde haar auto en liep door het hekwerk. Een veiligheidsbeambte probeerde haar tegen te houden, maar ze toonde haar universiteitspas en zei dat ze van het Rijksmuseum was. Het werkte. Het werkte altijd.
De steen lag half in de klei, alsof hij daar al duizenden jaren had gelegen en net was vrijgekomen. Hij was ongeveer een meter breed en een halve meter hoog, gemaakt van een donkere, bijna zwarte steensoort die Anne niet herkende.
"Wat is het?" vroeg ze aan de archeoloog, een jonge man met een baard en een bril die te groot was voor zijn gezicht.
Hij keek haar aan met opgetrokken wenkbrauwen. "Weet u dat niet? U bent de expert."
Anne knielde naast de steen en veegde voorzichtig wat modder weg. De inkervingen werden zichtbaar. Runen. Maar niet de runen die ze kende uit de Vikingtijd. Deze waren ouder. Veel ouder. Ze leken op de oud-Germaanse tekens die ze ooit had bestudeerd tijdens haar master, maar er waren nuances die ze niet herkende. Het zat haar niet lekker, maar ze kon niet zeggen waarom.
"Hebt u foto's?" vroeg ze.
De archeoloog knikte en overhandigde haar een tablet. Op de foto's was de steen beter zichtbaar, na het schoonmaken. De inscriptie was duidelijk: drie regels van tekens, gevolgd door een symbool dat op een golf of een stroom leek.
Anne staarde naar de tekens en probeerde ze te ontcijferen. Ze herkende er een paar. Een 'T' die een boom voorstelde. Een 'F' die een vee-symbool was. En een letter die ze niet kon plaatsen, maar die eruitzag als een slang.
"Dit is Germaans," zei ze zachtjes. "Oud-Germaans. Uit de ijzertijd."
"Dat dachten we ook," zei de archeoloog. "Maar we hebben niemand die het kan vertalen. Kent u iemand?"
Anne negeerde de vraag. Ze bestudeerde de tekens en probeerde er een patroon in te ontdekken. De eerste regel leek een naam te bevatten. T-A-N-F-A-N-A. Haar hart begon sneller te kloppen. Het bloed kroop haar naar de keel.
Tanfana.
"Hebt u het al schoongemaakt?" vroeg ze, haar stem trillend.
"Gedeeltelijk. Maar de inscriptie is diep gegraveerd. Het heeft eeuwen in de klei gelegen, dus het is goed bewaard gebleven."
Anne pakte een klein borsteltje en een flesje water uit haar tas. Ze werkte voorzichtig, bijna alsof ze een wond behandelde. De modder kwam los en de tekens werden helderder.
Nu kon ze het lezen. De eerste regel was inderdaad een naam, zoals ze al dacht: TANFANA.
De tweede regel was korter: FRAUJA – Vrouw. Meesteres.
En de derde regel... Anne moest even ademhalen. Ze las: WAHTE WATAR – Wachter van het water.
"Wachter van het water," fluisterde ze. Je zou bijna zeggen dat de steen zelf sprak, als stenen daar tenminste last van konden hebben.
De archeoloog keek haar vragend aan. "Wat zegt u?"
Anne stond op. Ze voelde zich duizelig. "Dit is een altaarsteen," zei ze. "Een altaar voor Tanfana. De godin van de Marsen."
"De Marsen?" De archeoloog knipperde met zijn ogen. "Die stam leefde hier toch niet? Die leefde verder naar het oosten, bij de Rijn."
"Dat dachten we," zei Anne. "Maar Tacitus schreef dat ze in het gebied van de Marsen een tempel hadden. En volgens sommige historici lag die tempel hier. In Twente. Op de Tankenberg."
De archeoloog trok wit weg. "Dat zou betekenen dat die tempel... hier is? Dat we hem hebben gevonden?"
Anne wees naar de steen. "Dit is het altaar. De tempel moet hier in de buurt zijn geweest. En als dit altaar er is, dan..."
Ze stopte. Een gruwelijke gedachte kwam in haar op. Je kunt wel weglopen voor de werkelijkheid, maar als die in je eigen achtertuin ligt, is weglopen eigenlijk alleen maar omrijden.
Oma Grietje had gezegd dat de Romeinen de tempel hadden verwoest. Dat ze de priesters hadden afgeslacht en in de bronnen hadden gegooid. Maar ze had ook gezegd dat Tanfana niet dood was. Dat ze sliep.
En nu was er een altaarsteen opgegraven.
Anne staarde naar het symbool aan de onderkant van de steen: de golf. Het water. Ze dacht aan het troebele bronwater, aan het zwarte slijm, aan het gefluister.
Ze dacht aan de jongen die was verdronken.
"Dit is geen toevallige vondst," zei ze zachtjes. "Dit is een teken."
De archeoloog keek haar met grote ogen aan. "Wat voor teken?"
Maar Anne antwoordde niet. Ze pakte haar telefoon en belde haar oma. De lijn was bezet. Ze probeerde opnieuw. Niks. Alleen een sissend geluid in de lijn. Het klonk bijna als ademhaling.
"Sorry," zei ze tegen de archeoloog. "Ik moet gaan. Dit moet naar het museum. Maar beloof me dat niemand de steen aanraakt. Vooral niet met blote handen."
"Waarom niet?"
"Omdat ik niet weet wat er gebeurt als je hem aanraakt," zei Anne. "En ik wil het niet riskeren."
Ze rende naar haar auto en scheurde weg, richting de Tankenberg.
Onderweg hoorde ze het gefluister weer. Het was harder nu, dringender. Het klonk niet meer als een vriendelijke uitnodiging. Het klonk als een bevel. Het was net of de stem in haar hoofd was gaan wonen.
"Kom. Het is tijd. De steen is gevonden. De herinnering is terug. Nu kom je naar mij."
Anne drukte het gaspedaal dieper in.
Ze moest Mark vinden. Snel.
De Tankenberg doemde op in de verte, donker en dreigend in de middagzon. Het leek wel of de heuvel ademde. Alsof hij wachtte.
En Anne wist dat ze er niet onderuit kon.