Hoofdstuk 7 — De Droom

De klok op het nachtkastje gaf 3.47 aan.

Mark lag stil. Zijn ogen waren open. Hij had niet geslapen. Kon niet slapen. Elk keer als hij zijn ogen dichtdeed, zag hij haar. Het gezicht in het water. De haren die bewogen als zeewier. De ogen die hem zagen.

Hij had geprobeerd te lezen. Tv gekeken. Een glas melk gepakt. Melk was waterig. Tv gaf sneeuw.

Hij stond op.

Zijn voeten waren koud op de houten vloer. De keuken was donker. Hij schonk water in. Het glas was helder. Het water was helder. Geen troebelheid. Geen zwarte vlokken.

Hij zette het glas neer. Kon het niet drinken.

Naar het raam.

De Tankenberg lag in het maanlicht. Een donkere massa. Bovenop, bij de Mariakapel, een lichtje. Het bewoog.

Hij pakte zijn verrekijker.

Een kaars. Hij zweefde. Geen hand die hem droeg. Geen lichaam. Alleen de kaars. En toen doofde hij.

Mark legde de verrekijker weg.

Niets. Mensen staken kaarsen aan. Altijd al gedaan. Traditie.

Hij ging terug naar bed.

De droom kwam meteen.

Hij stond in een bos. Oude bomen. Dikke stammen. Mos. Wortels als slangen over de grond.

Geen geluid.

Alleen water.

Hij liep. De poel was rond. Diep. Het water was helder. Hij zag de bodem.

Een lichaam.

Een vrouw. Wit gewaad. Nat. Haren als een waaier.

Ze sliep. Of leek te slapen.

Ze opende haar ogen.

Keek naar hem door het water. Glimlachte. Haar mond bewoog.

Geen geluid. Maar hij hoorde haar.

"Je bent gekomen."

Hij wilde weg. Zijn voeten zaten vast.

Het water steeg. Enkels. Knieën. Middel. Koud en warm tegelijk.

"Je vader."

Hij keek. Zijn vader zweefde onder het water. Ogen open. Levend. Vredig.

"Kom bij ons."

"Nee."

"Een droom is niet echt?" De vrouw was vlak voor hem. Haar ogen waren diep. Oneindig. "Wat is echt?"

Water tot zijn kin.

"Laat je gaan."

Hij opende zijn mond.

Water. Zout. Geen adem.

Hij schrok wakker.

Zweet. Bonzend hart. De klok: 3.47.

Mark keek naar zijn handen.

Zwarte substantie op zijn vingers.

Hij spoelde ze onder de kraan. Het water was helder. De vlekken bleven. Ze losten niet op. Zaten in zijn huid.

Hij wreef met een handdoek. De vlekken werden lichter. Gingen niet weg.

Hij keek in de spiegel. Bleek. Rode ogen.

Achter hem, in het raam, een gezicht.

Vrouw. Zwarte haren. Glimlach.

Hij draaide zich om. Leeg.

Alleen de nacht.

Hij leunde tegen de wastafel. Zijn ademhaling was zwaar.

Hij had haar gezien. Ze was hier. In zijn huis. In zijn huid.

Een stem. Uit de kraan. Zacht.

"Morgen. De bron. Je weet welke."

Het water liep niet. De kraan was dicht.

Mark staarde naar zijn handen. De zwarte vlekken pulserden.

Zachtjes. Ritmisch.

Alsof ze ademden.

 

GEEF EEN LIKE ALS HET HET VERHAAL LEUK VINDT.