Hoofdstuk 4 — De Vergadering

Het stadhuis was op een zaterdagmiddag normaal gesproken stil, maar vandaag liep het vol met ambtenaren, politieagenten en een enkele journalist die ergens een tip had opgevangen.

Mark de Vries zat op een harde plastic stoel in de vergaderzaal en probeerde zijn handen stil te houden. Ze trilden nog steeds van de ochtend. Het gezicht in de bron. Het gefluister. De dode vissen. Hij had het allemaal gerapporteerd aan zijn baas, die het had doorgestuurd naar de politie en nu zat hij hier, tussen mensen in pakken die hem aankeken alsof hij een complottheoreticus was.

Het zat hem niet lekker. Maar hij kon niet zeggen waarom.

"Meneer de Vries," begon burgemeester, een man met een kalend hoofd en een stem die klonk alsof hij permanent verkouden was. "U wilt ons vertellen dat het water op de Tankenberg... spookt?"

Mark haalde diep adem. "Ik zeg niet dat het spookt. Ik zeg dat er iets mis is. De vissen zijn dood. Het water is troebel. Er drijft een zwarte substantie op. En ik heb... ik heb iets gezien."

"Wat hebt u gezien?" De vraag kwam van een vrouw in een donkerblauw pak. Ze had een streng gezicht en een notitieblok in haar hand. Mevrouw Jansen, milieu-ambtenaar.

Mark aarzelde. Hoe kon hij uitleggen wat hij had gezien zonder gek te klinken? Een gezicht in het water. Een vrouw die naar hem glimlachte. Het klonk belachelijk. Je zou bijna zeggen dat hij het zelf niet geloofde, als hij het niet met eigen ogen had gezien.

"Ik weet het niet precies," zei hij voorzichtig. "Een weerspiegeling. Maar het was... het was er niet toen ik keek. En toen wel. En toen hoorde ik een stem."

Een paar ambtenaren rolden met hun ogen. De burgemeester zuchtte.

"Meneer de Vries, ik begrijp dat u zich zorgen maakt. En we nemen uw melding over de dode vissen serieus. We zullen een watermonster laten analyseren. Maar dat verhaal over een stem en een gezicht..." Hij schudde zijn hoofd. "Dat klinkt als oververmoeidheid. Of suggestie. U werkt al jaren in het bos, alleen. Misschien heeft uw brein een grapje met u uitgehaald."

Mark voelde zijn kaken op elkaar klemmen. "Ik weet wat ik heb gezien."

"U denkt dat u weet wat u hebt gezien," zei mevrouw Jansen streng. "Er is een groot verschil."

Voordat Mark kon antwoorden, ging de deur open. Een man in een duur grijs pak liep de zaal binnen, gevolgd door een assistente met een laptop. Hij had een zelfverzekerde glimlach en een handdruk die klaarstond om uitgedeeld te worden.

"Bram Smeenk," stelde hij zich voor. "Directeur van Vitens Twente. Excuses voor mijn late komst. Ik had een storing in het distributiecentrum."

De burgemeester knikte alsof hij een oude vriend begroette. "Meneer Smeenk, fijn dat u er bent. U hebt vast al gehoord over de... problemen."

"De meldingen over troebel water? Jazeker." Bram Smeenk nam plaats aan de tafel en vouwde zijn handen. "Ik kan u geruststellen. Het is een natuurlijk fenomeen. Door de droge zomer en de lage grondwaterstand komen er mineralen vrij uit de bodem. Het water is volkomen veilig om te drinken."

"Veilig?" Mark kon zijn mond niet houden. "De vissen zijn massaal doodgegaan. Er drijft een zwarte substantie op. En een jongen is vanochtend verdronken in een van de bronnen."

Er viel een stilte in de zaal. Je kon een speld horen vallen. Bram Smeenk keek Mark aan met een blik die tussen nieuwsgierigheid en irritatie balanceerde.

"Een jongen verdronken? Dat is verschrikkelijk. Maar met alle respect, meneer...?"

"De Vries. Boswachter."

"...meneer De Vries, een verdrinking is een tragisch ongeval, maar het heeft niets te maken met de waterkwaliteit. Jongens doen domme dingen. Ze duiken in bronnen, ze nemen risico's. Dat is helaas hoe het gaat."

Mevrouw Jansen knikte instemmend. "We hebben het rapport van de politie gezien. De jongen was zestien. Hij was met vrienden. Vermoedelijk een ongeluk."

Mark balde zijn vuisten onder de tafel. "En de stemmen? Het gefluister dat mensen horen? Ik ben niet de enige."

"We hebben twee meldingen van 'fluisterende waterleidingen'," gaf mevrouw Jansen toe. "Allebei van oudere inwoners. Een daarvan heeft dementie, de andere is bekend met psychische problemen. Het is waarschijnlijk suggestie. Paniekzaaierij."

"Paniekzaaierij," herhaalde Mark. Hij kon het niet geloven. "Er is iets mis in dat water. Ik voel het. De vissen voelden het. En die jongen..."

"De politie doet onderzoek naar de toedracht van het ongeval," onderbrak de burgemeester. "Meneer Smeenk heeft ons verzekerd dat het drinkwater veilig is. We gaan een persbericht uitsturen om de bevolking gerust te stellen. En u, meneer De Vries, gaat weer naar het bos. Ik stel voor dat u wat rust neemt. U ziet er gespannen uit."

De vergadering was voorbij. De ambtenaren stonden op, pakten hun spullen en begonnen te praten over andere zaken. Mark bleef zitten, zijn handen nog steeds trillend.

Bram Smeenk liep naar hem toe. Zijn glimlach was vriendelijk, maar zijn ogen waren koud. Het was net of hij naar een kind keek dat een driftbui had.

"Meneer De Vries," zei hij zachtjes, "ik begrijp uw bezorgdheid. Echt waar. Maar u moet begrijpen dat wij bij Vitens ons werk serieus nemen. We testen het water dagelijks. Er is geen bacterie, geen virus, geen chemische verontreiniging."

"En die zwarte substantie dan?" Mark keek hem aan.

Bram haalde zijn schouders op. "Algen. Zwarte algen komen voor in stilstaand water. Het is lelijk, maar niet gevaarlijk. We doen er onderzoek naar."

Mark stond op. Hij was groter dan Bram en keek op hem neer. "En als u fout zit? Als het wel gevaarlijk is?"

Brams glimlach werd een fractie smaller. "Dan hebben we een probleem. Maar ik zit niet fout, meneer De Vries. Daar kunt u op vertrouwen."

Hij draaide zich om en liep weg, zijn assistente in zijn kielzog.

Mark bleef alleen achter in de lege vergaderzaal. Het geluid van de koffiemachine in de hal klonk hol en ver weg. Hij staarde naar zijn handen, die eindelijk stil waren.

Maar in zijn hoofd hoorde hij nog steeds dat gefluister.

"Ze is wakker."

Hij wist dat hij gelijk had. Hij wist dat er iets mis was. En hij wist ook dat die arrogante man van het waterbedrijf hem niet zou helpen.

Hij moest het zelf oplossen.

Maar hoe?

Hij pakte zijn telefoon en belde zijn oude mentor, een gepensioneerde geoloog die nog iets wist van de ondergrondse waterstromen rond de Tankenberg.

"Met Karel," klonk een krakerige stem aan de andere kant.

"Karel, met Mark. Ik heb je hulp nodig. Het water op de Tankenberg... er is iets vreemds mee."

Er viel een stilte aan de andere kant. Toen zei Karel, langzaam en voorzichtig:

"Wat voor iets vreemds?"

Mark slikte. "Het fluistert, Karel. Het water fluistert."

De stilte duurde nog langer. Je kon een speld horen vallen. Toen zei Karel, zijn stem nu een stuk minder krakerig:

"Ik kom morgen. Zorg dat je me ophaalt bij het station. En Mark?"

"Ja?"

"Blijf uit de buurt van dat water. Als het fluistert, is het al te laat."

De verbinding werd verbroken.

Mark staarde naar zijn telefoon.

Te laat voor wat?

Hij durfde het antwoord niet te weten. Het bloed kroop hem naar de keel.

Hij liep het gemeentehuis uit en keek naar de Tankenberg, die in de verte lag in de avondzon. Het leek zo vredig. Maar Mark wist wat eronder zat. De bronnen. De zwerm. De godin.

En hij wist dat hij terug zou moeten.

Je kunt wel weglopen, maar als je eigen achtertuin je roept, is weglopen eigenlijk alleen maar omrijden.

Hij kon er niet onderuit.


Wordt vervolgd...