Hoofdstuk 3 — Het Eerste Slachtoffer
Jeroen van der Meer was zestien jaar oud en hij wist alles.
Nou ja, niet alles alles. Maar hij wist genoeg om te weten dat zijn ouders achterlijk waren, dat school een verspilling van tijd was, en dat de wereld ten onder ging aan klimaatverandering, maar dat niemand er iets aan deed omdat ze allemaal te druk waren met hun telefoons.
Hij had het gelezen op Instagram. En op TikTok. En op X. Dus het moest waar zijn.
Die zaterdagochtend was hij met zijn vrienden Bas en Kevin naar de Tankenberg gefietst. Het was een mooie dag, niet te warm, niet te koud. Perfect voor een "avontuur", zoals Kevin het noemde, ook al was het eigenlijk gewoon een stukje fietsen en wat rondhangen in het bos.
"Hebben jullie dat water gezien?" vroeg Bas terwijl ze hun fietsen tegen een boom zetten. "Het is helemaal troebel. Alsof er modder in zit."
"Viezigheid," zei Kevin met een grijns. "De gemeente doet weer niks."
Jeroen haalde zijn schouders op. "Het is maar water. Zal wel van die algen zijn ofzo."
Hij liep naar de rand van de spreng en knielde. Het water zag er inderdaad vreemd uit: melkachtig, met zwarte vlokken die ronddreven. Maar het rook niet vies. Het rook juist... zoet. Een rare, bijna bedwelmende geur.
Hij stak zijn hand in het water. Het was koel, maar niet ijskoud zoals normaal. Het voelde bijna warm aan, alsof het uit een verwarmingsbuis kwam.
"Wat doe je?" riep Bas. "Je gaat toch niet dat water drinken?"
"Nee, gek," zei Jeroen. "Ik voel alleen hoe het is."
Maar terwijl hij zijn hand in het water hield, voelde hij iets vreemds. Een lichte tinteling, alsof er kleine elektrische schokjes door zijn vingers gingen. Het was niet pijnlijk, eerder aangenaam. Alsof het water hem aanraakte.
Hij trok zijn hand terug en schudde hem droog. Er bleven een paar zwarte vlokken aan zijn vingers plakken. Hij veegde ze af aan zijn broek. Het zat hem niet lekker, maar hij kon niet zeggen waarom.
"Kom op, we gaan naar het Koepeltje," zei Kevin. "Ik heb zin in een energiedrankje."
Ze liepen het pad omhoog, langs de bronnen en door het dichte bos. Jeroen merkte dat hij steeds achterbleef. Zijn benen voelden zwaar, zijn hoofd een beetje wazig. Alsof hij te weinig had geslapen.
"Kom je nog?" riep Bas vooruit.
"Ja, ja," mompelde Jeroen. "Ik kom eraan."
Maar toen hij bij de volgende bron kwam – de Bron van de Zeven Namen, zoals het bordje vermeldde – stopte hij. Het wateroppervlak was glad en donker. En in die donkere spiegeling zag hij iets.
Een gezicht.
Een vrouwengezicht, met lange zwarte haren die als zeewier bewogen. Haar ogen waren diep en donker en ze leek recht naar hem te kijken.
Hij knipperde met zijn ogen. Het gezicht was weg. Alleen zijn eigen weerspiegeling was er nog, bleek en geschrokken.
Je bent moe, dacht hij. Je hebt te lang naar je scherm zitten staren. Het zal wel.
Hij liep verder, maar zijn hoofd werd steeds zwaarder. De stemmen van zijn vrienden klonken alsof ze van ver kwamen. De bomen leken dichter bij elkaar te staan dan normaal. Het pad leek langer.
En het water.
Het water fluisterde.
Hij hoorde het niet met zijn oren, maar hij voelde het in zijn hoofd. Een zacht, ritmisch geruis. Als een hartslag. Als een stem die heel zachtjes zijn naam zei.
"Jeroen... Jeroen... blijf hier... kom bij mij..."
Hij liep naar de bron. Zijn voeten bewogen zonder dat hij erover nadacht. Het water was stil en donker en het trok hem aan.
Hij knielde.
Hij boog zich voorover.
En hij dronk.
Het water smaakte zoet, bijna honingzoet. Het gleed over zijn tong, zijn keel in, zijn maag in. En meteen daarna voelde hij een golf van warmte door zijn lichaam trekken. Het was alsof er iets in hem ontwaakte.
"Goed zo," hoorde hij de stem zeggen. "Je hoort bij ons nu. Je bent een van ons."
Jeroen stond op. Hij voelde zich vreemd, maar niet ziek. Alsof hij zweefde. De wereld om hem heen leek helderder, feller, alsof iemand het contrast op de televisie had opgedraaid.
Hij zag zijn vrienden bij het Koepeltje staan. Ze zwaaiden naar hem.
"Hé, Jeroen! Kom eens hier! Er is iets raars met het water!"
Jeroen liep naar hen toe. Zijn stappen waren licht, bijna als dansen.
"Wat is er?" vroeg Bas. "Je ziet er raar uit."
"Het water," zei Jeroen. Hij hoorde zijn eigen stem, maar het klonk alsof iemand anders sprak. "Het is... mooi. Het roept me."
Kevin trok een gezicht. "Wat lul je nou? Kom op, we gaan naar huis. Je bent niet goed."
Maar Jeroen stond stil. Hij keek over de rand van de heuvel, naar het dal beneden. Oldenzaal lag er rustig bij, met zijn rode daken en zijn kerktoren. Het leek zo klein. Zo onbelangrijk. Je zou bijna denken dat het niet echt was.
"Ze is wakker," zei Jeroen zachtjes.
"Wie?" vroeg Bas.
Jeroen draaide zich om naar zijn vrienden. Zijn ogen waren niet meer de blauwe ogen van de jongen die ze kenden. Ze waren troebel, melkachtig, alsof er een waas over lag. En hij glimlachte. Maar het was geen glimlach van blijdschap. Het was de glimlach van iemand die iets weet wat jij niet weet.
"De moeder," zei hij. "De moeder van het water."
Toen liep hij terug naar de bron, zonder iets te zeggen. Bas en Kevin keken elkaar aan, geschrokken.
"Jeroen! Waar ga je naartoe?"
Maar Jeroen hoorde hen niet meer. Hij hoorde alleen het water. Het zong. Het riep hem. En hij wilde niets liever dan erin duiken, om deel te worden van de zwerm, om voor altijd te zijn waar de stem vandaan kwam.
Hij deed zijn schoenen uit. Zijn sokken. Zijn jas.
"Jeroen!" riep Kevin. "Stop! Wat doe je?!"
Maar Jeroen stapte de bron in. Het water was warm, als een bad. Het omhelsde zijn benen, zijn middel, zijn borst. Het voelde als thuis. Het voelde als de plek waar hij altijd al had moeten zijn.
"Jeroen!" Bas greep naar zijn arm. "Kom eruit! Dit is niet grappig!"
Jeroen draaide zich om. Zijn gezicht was vredig. Alsof hij eindelijk had gevonden waarnaar hij zocht.
"Het is goed," zei hij. "Ze wil me. Ik moet gaan."
En toen liet hij zich zakken in het water.
Het oppervlak sloot zich boven zijn hoofd.
Er was geen gespetter, geen geschreeuw. Alleen een zachte, rimpelloze stilte.
Bas en Kevin stonden aan de rand, verstijfd van schrik. Het water was weer glad en helder, alsof er nooit iemand in was geweest.
"Jeroen?" fluisterde Kevin.
Geen antwoord. Je kon een speld horen vallen.
Bas pakte zijn telefoon. Zijn vingers trilden toen hij 112 indrukte.
"Er is iets gebeurd," zei hij hijgend. "We zijn op de Tankenberg. Mijn vriend is... hij is in de bron gedoken. Hij komt niet meer boven."
De telefonist aan de andere kant stelde vragen, maar Bas hoorde hem niet. Hij staarde naar het water, dat zachtjes kabbelde alsof het ademde.
En hij hoorde het.
Een gefluister.
Zacht, bijna onhoorbaar.
"Jullie zijn volgende."
Het bloed kroop hem naar de keel. De schrik sloeg hem om het hart.
Kevin greep zijn arm. "We moeten weg. Nu."
Ze renden het bos in, zonder om te kijken. Ze renden alsof het water hen achtervolgde. En misschien deed het dat ook.