Hoofdstuk 2 — De Terugkeer

De A1 kronkelde door het landschap alsof de weg zelf niet zeker wist waar hij naartoe moest. Anne Besselink zat achter het stuur van haar grijze Volkswagen Polo en staarde naar de eindeloze rijen maïsvelden die aan beide kanten van de snelweg voorbijschoten.

Twente, dacht ze. Altijd hetzelfde. Groen, vlak en saai.

Ze had er zes jaar niet gewoond. Zes jaar geleden was ze vertrokken naar Groningen, naar de universiteit, naar de stad waar dingen gebeurden. Waar ze 's avonds naar het theater kon, naar concerten, naar kroegen waar ze niemand kende en niemand haar kende. Daar was ze thuis. Niet hier.

Maar de telefoon had niet opgehouden met trillen.

Eerst was het haar moeder geweest: "Anne, je oma is zo vreemd de laatste tijd. Ze praat in haar slaap. In een taal die ik niet ken."

Toen was het haar tante: "Ze is 's nachts het bos in gelopen. De politie heeft haar bij de Tankenberg gevonden. Ze zei dat het water haar riep."

En uiteindelijk was het oma Grietje zelf geweest. Een stemmetje op de voicemail, broos en trillend, maar met een vreemde helderheid:

"Annekind, kom alsjeblieft. Ze is hier. Ik voel haar. Ze komt uit de bron. Ik kan haar niet alleen tegenhouden."

Anne had de boodschap vijf keer afgespeeld. Elke keer kreeg ze er kippenvel van. Haar oma was altijd de nuchterste van de familie geweest, een boerin die niet geloofde in onzin. Sprookjes waren voor kinderen, zei ze altijd. De bijbel was een boek met mooie verhalen, maar niet meer dan dat. En nu praatte ze over een zij die uit een bron kwam?

Er was iets mis. Het zat haar niet lekker.

Ze verliet de snelweg bij afrit 31 en reed richting Oldenzaal. De borden kwamen haar bekend voor: De Lutte, Rossum, Oldenzaal. Ze kende elke bocht, elke boom, elk weiland. Haar jeugd was hier geweest. Haar vader had haar leren fietsen op de wegen die ze nu met haar auto passeerde. Haar moeder had haar leren zwemmen in het zwembad in het centrum. Haar oma had haar de verhalen verteld die ze nooit had geloofd.

Tot nu.

Ze parkeerde haar auto voor het oude boerderijtje aan de rand van de stad. Het was een typisch Twents huis: witgepleisterd, met een rieten dak en kleine ramen die diep in de muren lagen. De tuin was overwoekerd – dat was niet zoals oma Grietje. Normaal gesproken hield ze de boel keurig bij, met nette rijen bloemen en een gazon dat strak geschoren was. De brandnetels stonden er nu tot je middel. Dat was niet niks.

Anne liep naar de voordeur en klopte aan. Geen antwoord.

Ze drukte de klink naar beneden. De deur was open.

"Oma?" riep ze. "Ik ben het. Anne."

Stilte. Je kon een speld horen vallen.

Ze liep naar binnen. De keuken was een chaos. Borden stonden nog op tafel, met halfopgegeten eten. Een stoel was omgevallen. De kraan boven de gootsteen stond open en het water liep over de rand, een plas vormend op de tegelvloer.

Anne draaide de kraan dicht. Het water was troebel. Bruinig. En het rook muf, naar aarde en iets anders – iets zoets, bijna bedorvens. Je zou bijna zeggen dat het water de pest in had, als water daar tenminste last van kon hebben.

"Oma?" riep ze weer, haar stem nu angstiger.

Ze hoorde een zacht geluid uit de slaapkamer komen. Een gemurmel. Een zacht, ritmisch gezang.

Anne opende de deur.

Oma Grietje zat rechtop in bed, haar ogen gesloten, haar lippen bewogen geluidloos. Haar grijze haren waren in de war, en haar nachtjapon zat onder de modder. Ze hield haar handen gevouwen alsof ze bad, maar er was geen kruisbeeld in de buurt – oma Grietje was niet gelovig. Ze had altijd gezegd: "God woont niet in een kerk, kind. God woont in het water en in de wind."

"Oma?" zei Anne zachtjes.

De oude vrouw opende haar ogen. Ze waren niet meer de heldere, blauwe ogen van de vrouw die Anne kende. Ze waren troebel, melkachtig, alsof er een waas over lag.

"Annekind," zei oma Grietje, maar haar stem klonk anders. Dieper. Alsof er iemand anders door haar heen sprak. "Je bent gekomen. Goed. Ze wacht op je."

"Wie wacht op me, oma?" Anne knielde naast het bed en pakte de hand van haar grootmoeder. De huid was koud. Onnatuurlijk koud. Het leek wel of het leven eruit was weggetrokken.

"Tanfana," fluisterde oma Grietje. De naam rolde van haar tong alsof ze hem duizenden keren had uitgesproken. "Ze is wakker geworden. Het water heeft haar geroepen. Of zij heeft het water geroepen. Ik weet het niet meer."

Anne voelde een rilling over haar rug lopen. Het bloed kroop haar naar de keel. Tanfana. Ze had die naam eerder gehoord – in een oud college over Germaanse mythologie. Een vergeten godin, vereerd door de Marsen, een Germaanse stam die ooit in dit gebied had gewoond. De Romeinen hadden haar tempel verwoest. Tacitus had erover geschreven. En daarna was ze vergeten.

Maar dat was geschiedenis. Dat was duizenden jaren geleden.

"Oma, je bent in de war," zei Anne voorzichtig. "Je hebt koorts. Ik bel een dokter."

"Geen dokter!" Oma Grietjes hand klemde zich om de pols van Anne met een kracht die ze niet had verwacht. "Een dokter kan niets doen. Het is geen ziekte, kind. Het is een aanwezigheid. Ze is overal. In het water. In de grond. In de lucht. Ze ademt door ons heen."

Anne trok haar hand los en stond op. Ze haalde haar telefoon tevoorschijn. "Ik bel de huisarts. En daarna breng ik je naar het ziekenhuis. Je hebt rust nodig, oma."

Oma Grietje lachte. Het was een vreemd, droog geluid, alsof er geen lucht meer in haar longen zat. "Het ziekenhuis kan me niet helpen, Annekind. Niemand kan me helpen. Alleen jij. Jij moet haar stoppen."

"Haar?" Anne's vinger zweefde boven het toetsenbord. "Wie is 'haar' in godsnaam?"

"De godin," zei oma Grietje, en haar ogen werden weer helder – maar niet met de helderheid van herkenning, met de helderheid van iets anders. "Ze is de zwerm. Ze is het water. Ze is de herinnering van de aarde. En ze is boos, Anne. Ze is zo boos. En ze heeft dorst. Niet naar water, maar naar ons. Naar alles wat we zijn."

Het water in de badkamer, dat Anne nog had laten lopen, begon te stromen. Een zacht, sissend geluid. En daarna – heel zachtjes – een gefluister.

Anne verstijfde. De schrik sloeg haar om het hart.

Het kwam uit de kraan.

Het fluisterde haar naam.

"Anne... Anne... kom naar mij..."

Ze draaide zich om en rende de slaapkamer uit. Ze greep de badkamerdeur en smeet hem dicht. Het gefluister hield op.

Ze leunde tegen de muur, haar hart bonzend in haar borst. Ze had het gevoel dat ze iets had gehoord wat ze niet had mogen horen, zoals je per ongeluk een brief opent die niet voor jou is.

Het is de vermoeidheid, dacht ze. Het is de stress. Oma is ziek en ik projecteer. Dit is niet echt. Je kunt wel weglopen voor de werkelijkheid, maar als je eigen achtertuin je roept, is weglopen eigenlijk alleen maar omrijden.

Maar diep van binnen wist ze dat het wel echt was.

En ze wist ook dat ze niet weg kon gaan.

Niet nu.

Niet voordat ze wist wat er aan de hand was.

Ze liep terug naar de slaapkamer, maar oma Grietje sliep. Haar borst ging op en neer in een ritmisch, regelmatig ademhalen. Het leek bijna normaal.

Bijna.

Anne trok een stoel bij het bed en ging zitten. Ze staarde naar het gezicht van haar oma, dat er nu vredig uitzag, alsof de storm van de afgelopen dagen was gaan liggen.

Maar in de verte, vanuit de richting van de Tankenberg, hoorde ze een zacht, aanhoudend geluid.

Het klonk als water.

En het klonk alsof het zong.

Ze wist dat ze er niet onderuit kon. Ze moest terug naar die heuvel. Ze moest weten wat er gebeurde. Want als er één ding was dat ze van haar oma had geleerd, dan was het dit: het water onthoudt alles. En wat het onthoudt, komt ooit weer boven.