Hoofdstuk 1 — De Stille Bron

Het water was altijd helder geweest.

Altijd. Mark de Vries kon zich geen ochtend herinneren, in de zevenendertig jaar dat hij hier boswachter was, dat het bronwater op de Tankenberg niet kristalhelder was geweest. Zelfs na de zwaarste regenval klaarde het binnen een dag. Alsof de aarde zelf het filterde. Alsof de heuvel ademde.

Maar deze ochtend was het anders. Het zat hem niet lekker. Er was iets niet pluis. Je zou bijna zeggen dat het water de pest in had, als water daar tenminste last van kon hebben.

Hij knielde bij de rand van de spreng en staarde naar het oppervlak. Het water was troebel. Melkwit. Alsof er krijtpoeder in was opgelost. Er dreef een dun laagje zwart slijm op dat zachtjes golfde – niet met de wind, maar alsof het ademde.

Mark stak zijn vinger erin. Het slijm was koud, glad. Maar toen hij zijn vinger terugtrok, voelde hij weerstand. Een lichte, plakkerige trekkracht. Alsof het hem niet wilde loslaten. Het was net of het water dacht: "Jij blijft hier, of ik weet niet wat ik zeg." Het gaf hem een naar gevoel.

Hij veegde zijn hand af aan zijn broek. Een zwarte streep bleef achter op de stof. Het leek wel een vingerafdruk van de duivel, als de duivel tenminste zwarte vingers had.

De Tankenberg lag stil in de ochtendmist. De bomen stonden roerloos, alsof ook zij wachtten. Normaal gesproken hoorde je hier de vogels, het geritsel van eekhoorns, het verre geblaf van een hond uit het dal. Nu was het stil. Doodstil. Je kon een speld horen vallen. Je kon een naald horen vallen, maar het was niet uitgesloten dat je diezelfde naald nog een week later weer tegenkwam, als je er niet meer aan dacht. Zo stil was het.

Hij liep stroomafwaarts. De dode vissen lagen verspreid over de hele lengte van de spreng. Forellen, voorn, een paar palingen – allemaal op hun zij, met wijd openstaande kaken. Hun ogen staarden naar de hemel alsof ze net iets vreselijks hadden gezien. Iets dat uit het water was gekomen. Ze zagen er niet boos uit, meer teleurgesteld. Alsof ze hadden verwacht dat het water beter voor hen zou zijn.

Mark telde er zeventien.

Dat was niet niks. Hij had dit al eens eerder meegemaakt. Toen was hij twaalf. Zijn vader – ook boswachter – had hem meegenomen naar dezelfde bron. Er lagen toen ook dode vissen. Zijn vader had gezegd: "Dat is de aarde die protesteert, jongen. De aarde heeft haar eigen manieren om te zeggen: genoeg."

Drie weken later was zijn vader verdronken.

In precies dezelfde bron.

Het lichaam was nooit gevonden. De politie zei dat hij in een ondergrondse stroom was meegesleurd. Maar Mark wist beter. Hij had zijn vader die ochtend nog gezien, voor hij naar zijn werk ging. Zijn vader had gezegd: "Het water roept me, Mark. Het roept al dagen."

Toen was hij weg. Voorgoed. Soms denk je dat je een gesprek met iemand nog eens overdoet in je hoofd, maar dat was het enige gesprek dat Mark nooit overdeed. Het was te definitief.

Mark rukte zich los uit de herinnering. Hij moest er niet aan denken. Hij was hier niet om aan het verleden te denken. Hij was hier om te doen wat zijn vader niet had gekund: begrijpen.

Hij liep verder naar de grootste bron, de Bron van de Zeven Namen. De oude mensen noemden haar zo. Niemand wist meer waarom. Maar toen hij als jongen aan zijn vader vroeg wat de zeven namen waren, had die geantwoord: "De namen van de goden die hier ooit werden vereerd. De Romeinen hebben ze vermoord, maar de bron onthoudt alles."

Hij knielde bij de poel. Het water was hier altijd ijskoud geweest, maar nu voelde het bijna warm aan. En het trilde. Een lichte, ritmische trilling. Alsof er onder de grond een hart klopte. Het was net of de aarde leefde. Je zou bijna zeggen dat de aarde een hartslag had, maar dat zou betekenen dat de aarde ook een ziel had, en daar had niemand ooit een stokje voor gestoken.

Hij luisterde.

Toen hoorde hij het. Een gefluister. Het kwam niet uit de lucht, niet uit de wind, maar uit het water zelf. Het was niet één stem, maar vele, door elkaar heen, in een taal die hij niet kende. Maar vreemd genoeg begreep hij de boodschap wel.

"Ze is wakker."

Hij schrok. Het bloed kroop hem naar de keel. Zijn handen trilden. Hij had het gevoel dat hij iets had gehoord wat hij niet had mogen horen, zoals je per ongeluk een brief opent die niet voor jou is. Hij greep zijn telefoon en belde het kantoor.

"Marijke," zei hij, zijn stem schor. "Ik moet je iets vertellen. De bronnen. Ze zijn... ik weet niet hoe ik het moet uitleggen. Stuur iemand van de universiteit. Er is iets mis. Ernstig mis."

"Mark, je klinkt niet goed," zei Marijke. "Ben je veilig?"

Hij wilde antwoorden, maar zijn ogen vielen op het wateroppervlak. Het was glad geworden, spiegelend. En in die spiegeling zag hij iets wat er niet hoorde te zijn.

Een gezicht.

Een vrouwengezicht, met lange zwarte haren die als zeewier bewogen. Haar ogen waren diep, donker, oneindig. Ze keek naar hem alsof ze hem al duizenden jaren kende. Alsof ze hem al een keer eerder had ontmoet, in een vorig leven, of in een droom die hij zich niet meer kon herinneren.

Ze glimlachte.

En ze sprak zijn naam.

"Mark."

Hij liet de telefoon vallen. De schrik sloeg hem om het hart. Hij rende het bos in. De bomen flitsten langs hem heen. Het pad, dat hij duizend keer had gelopen, leek te kronkelen, te draaien. Het water in de beekjes volgde hem, stroomde sneller dan het hoorde, alsof het hem wilde inhalen. Hij had het idee dat hij wegliep voor iets wat hem al lang had ingehaald, maar dat wist je pas later.

Pas toen hij bij de parkeerplaats kwam, zijn auto opende, en hem startte, durfde hij om te kijken.

De Tankenberg lag stil in de mist. Geen beweging. Geen geluid.

Maar Mark wist wat hij had gezien.

Hij wist ook dat er niemand was die hem zou geloven. Hij kon er met geen mens over praten. Hij kon er met zichzelf al nauwelijks over praten, en dat was meestal een slecht teken.

Hij keek naar zijn handen. Er zat nog steeds die zwarte, plakkerige substantie op zijn vingers. Hij probeerde het weg te vegen, maar het zat vast. Alsof het in zijn huid was getrokken. Alsof het daar hoorde, en hij het alleen maar nooit had opgemerkt.

Ze is wakker, dacht hij. En ze kent mijn naam.

Hij drukte zijn gaspedaal in en reed weg. Maar in zijn achteruitkijkspiegel, heel even maar, zag hij de Tankenberg.

Hij zag een lichtje bij de bron. Een kaars.

En hij wist dat hij terug zou moeten. Je kunt wel weglopen, maar als je eigen achtertuin je roept, is weglopen eigenlijk alleen maar omrijden. Hij kon er niet onderuit.

Wordt vervolgd...