Hoofdstuk 5 — Het Zwarte Water
De volgende ochtend werd Anne wakker met een droge keel en een bonzend hoofd. Ze had nauwelijks geslapen. Oma Grietje had de hele nacht liggen mompelen in haar slaap, woorden die Anne niet kon verstaan, maar die vreemd genoeg bekend klonken. Alsof ze een taal hoorde die ze ooit had gekend, maar weer was vergeten.
Ze stond op en liep naar de keuken. De troebele plas op de vloer was opgedroogd tot een grijze, korrelige vlek. Ze draaide voorzichtig de kraan open.
Er kwam niets.
Geen water. Geen druppel. Alleen een zacht, sissend geluid uit de leidingen, alsof er iets in vastzat. Het klonk bijna als ademhaling.
Ze probeerde de kraan in de badkamer. Hetzelfde. De douche. De tuinslang. Overal was het water weg.
Storing, dacht ze. De hele stad heeft zeker geen water.
Ze kleedde zich aan en liep naar buiten. De ochtend was koel en mistig. De Tankenberg lag in de verte, zijn top gehuld in een grijze sluier. Het zag er vredig uit, maar Anne voelde een onrust diep in haar maag. Het zat haar niet lekker, maar ze kon niet zeggen waarom.
Ze liep naar het centrum van Oldenzaal. Normaal gesproken zou het op een zondagochtend stil zijn, maar nu waren de straten ongebruikelijk druk. Mensen stonden in groepjes bij elkaar, druk pratend. Hun gezichten waren gespannen. Je kon een speld horen vallen, maar dat deed je niet, want de spanning was voelbaar.
"Heb je het gehoord?" vroeg een vrouw aan een buurman. "Geen water in heel de wijk."
"Bij ons ook niet," antwoordde de buurman. "Mijn vrouw heeft al twee uur geprobeerd Vitens te bellen, maar de lijn is overbelast."
Anne liep verder. Bij de supermarkt was een lange rij. Mensen kochten flessenwater alsof de wereld verging. De schappen waren al half leeg. Het leek wel of de stad in paniek was, maar niemand wist waarom.
Ze pakte haar telefoon en zocht naar nieuws. De website van Vitens had een kort bericht: "Wegens een technische storing in het distributienetwerk is er tijdelijk geen drinkwater beschikbaar in Oldenzaal en omstreken. Onze technici zijn bezig met herstel. Excuses voor het ongemak."
Technische storing. Anne wist niet waarom, maar ze geloofde er niets van. Het was net of de woorden waren opgeschreven door iemand die zelf niet wist wat er aan de hand was.
Ze liep terug naar het huis van haar oma. Onderweg zag ze iets vreemds. Een man stond voor zijn huis, zijn tuinslang in zijn hand, en probeerde water te krijgen. Hij schudde de slang, draaide aan de kraan, maar er kwam niets.
Toen, plotseling, spoot er een straal water uit. Het was niet helder. Het was zwart. Dik en zwart als olie, met glinsterende vlokken die in het ochtendlicht leken te dansen.
De man schrok en liet de slang vallen. Het zwarte water spoot over de grond, een donkere plas vormend die langzaam uitlekte.
"Wat is dat?" riep hij naar Anne. "Wat is er met het water gebeurd?"
Anne wist het niet. Ze keek naar de plas, die vreemd genoeg niet wegstroomde, maar leek te pulseren, alsof het leefde. Alsof het ademde. Het was net of het water een hartslag had, maar dat zou betekenen dat het water ook een ziel had, en daar had niemand ooit een stokje voor gestoken.
"Blijf eruit," zei ze. "Raak het niet aan."
De man keek haar aan, zijn ogen groot van angst. "Wat is er aan de hand? Wat is dat spul?"
Het antwoord dat Anne wilde geven bleef steken in haar keel. Want op dat moment hoorde ze het weer. Het gefluister. Zacht, bijna onhoorbaar, maar onmiskenbaar.
"Anne... Anne... het is tijd... kom naar huis..."
Ze draaide zich om en rende weg. De stem kwam niet uit de plas, maar uit de lucht, uit de grond, overal en nergens tegelijk. Ze rende alsof het water haar achtervolgde. En misschien deed het dat ook.
Ze stoof het huis van haar oma binnen en smeet de deur achter zich dicht. Oma Grietje zat rechtop in bed, haar ogen wijd open. Ze waren niet meer troebel. Ze waren helder, bijna te helder, alsof er een licht achter brandde.
"Annekind," zei ze. Haar stem was krachtig, niet meer broos. "Je hebt haar gehoord, hè? Ze roept je."
Anne leunde tegen de muur, haar adem hijgend. "Oma, wat is er aan de hand? Wat is dat water? Wat is die stem?"
Oma Grietje gebaarde dat Anne dichterbij moest komen. Ze pakte de hand van haar kleindochter en kneep erin. Het was net of ze haar kracht wilde geven.
"Ik heb het je nooit verteld," zei ze zachtjes. "Ik dacht dat het niet belangrijk was. Dat het verhalen waren voor kinderen. Maar het is waar. Het is altijd waar geweest."
"Wat is waar?"
Oma Grietje sloot haar ogen. "Lang geleden, voor de Romeinen kwamen, leefden hier de Marsen. Ze vereerden een godin. Ze noemden haar Tanfana. Zij was de vrouw van het water. Ze gaf leven en ze nam leven. Ze was goed en ze was wreed. En haar tempel stond op de Tankenberg."
Anne luisterde ademloos. Het bloed kroop haar naar de keel.
"Toen kwamen de Romeinen. Ze verwoestten de tempel. Ze slachtten de priesters af en gooiden ze in de bronnen. Ze dachten dat ze haar hadden gedood. Maar een godin kan niet sterven. Ze kan alleen slapen."
"En nu is ze wakker?" fluisterde Anne.
Oma Grietje knikte langzaam. "Iemand heeft haar gewekt. Iemand heeft het water verstoord. Te veel weggepompt, te veel vervuild. Ze is boos, Anne. Ze wil wraak."
"Wat voor wraak?"
Oma Grietje opende haar ogen. Ze waren doordringend, bijna angstaanjagend. "Ze wil ons allemaal opnemen in haar zwerm. Ze wil dat we één worden met haar. Voor eeuwig."
Anne schudde haar hoofd. "Dat is waanzin. Dat kan niet waar zijn."
"Je hebt haar gehoord," zei oma Grietje. "Je hebt het zwarte water gezien. Je weet dat het waar is, Annekind. Je weet het." Het was net of haar ogen zeiden: je kunt er niet onderuit.
Anne zakte op de rand van het bed. Ze wist het. Diep van binnen, op een plek waar ze nooit had gekeken, wist ze het. Het voelde als een herinnering die niet van haar was. Een herinnering aan water, aan duisternis, aan een stem die riep.
"Wat moeten we doen?" vroeg ze.
Oma Grietje pakte haar hand weer. "Er is iemand die je moet ontmoeten. Een boswachter. Hij heet Mark. Hij heeft het ook gezien. Jullie moeten samenwerken. Alleen dan heb je een kans."
"Een kans op wat?"
"Om haar te laten slapen. Voor altijd."
Anne staarde naar haar oma. De oude vrouw leek opeens jonger, krachtiger, alsof er iets in haar was ontwaakt dat jaren had geslapen.
"Waar kan ik hem vinden?" vroeg Anne.
"Hij is op de Tankenberg," zei oma Grietje. "Hij wacht op je."
Anne stond op. Ze wist niet waarom, maar ze voelde dat dit goed was. Dat dit de weg was die ze moest gaan. Je kunt wel weglopen, maar als je eigen achtertuin je roept, is weglopen eigenlijk alleen maar omrijden. Ze kon er niet onderuit.
"Ik ga," zei ze.
"Annekind," riep oma Grietje haar na. "Wees voorzichtig. Ze is sterk. Ze wil je hebben. Ze wil je opnemen. Maar jij bent sterker. Onthoud dat."
Anne knikte en liep de deur uit. De mist was dikker geworden. De Tankenberg was nauwelijks zichtbaar. Maar ze wist waar ze heen moest. Het water had haar de weg gewezen. En het fluisterde nog steeds.
"Kom... kom naar mij..."
Anne liep door. Ze wist dat ze terug zou moeten. En ze wist dat ze niet alleen was. Er was iemand anders op die berg. Iemand die ook het fluisteren hoorde. Iemand die haar kon helpen.
Ze liep sneller.